Montaigne en schaken

By | november 23, 2019

Beste clubleden,

Een van mijn winterprojecten dit jaar was het lezen van “Les Essais” van Michel de Montaigne (1533-1592). Deze Franse humanist, auteur, scepticus en filosoof schreef maar één boek, maar daar werkte (en herwerkte)  hij aan van 1571 tot aan zijn dood. Ik kwam hem regelmatig tegen in allerhande werken over filosofie, en ik las wel eens een boek over hem. Maar om een auteur-filosoof te leren kennen kan je best gewoon zijn werk gaan lezen en het op je laten inwerken.

Montaigne bestudeerde vooral zichzelf in relatie met een hoop zeer uiteenlopende onderwerpen. Dit was in de 16de eeuw  zeer baanbrekend, en het leverde hem naderhand de titel op van uitvinder van het essai (genoemd naar zijn werk). Ik lees dit omvangrijke boekwerk van 1377 blz (kleine letters) weliswaar in een Nederlandse vertaling. Het oud-Frans van  Montaigne zou wat te moeilijk zijn, en de vertaling naar modern Frans zou me allicht ook wat te veel tijd en moeite kosten. Een zekere intellectuele luiheid op mijn leeftijd lijkt me wel te vergeven …

Een van de beroemdste uitspraken van Montaigne was “Que sais-je?”,  waarmee hij te kennen gaf dat je als mens eigenlijk heel weinig echt kan weten. Het is verbazingwekkend hoe modern en aktueel deze schrijver ook nu nog is, al ben ik het zeker niet altijd met hem eens. Maar vanuit zijn erg relativerend en begripsvol  kijken naar het merkwaardige verschijnsel mens, zou hij me dat zeker niet kwalijk genomen hebben.

Ik zie jullie al de wenkbrauwen fronsen: waarom in godsnaam is Luc op een schaakwebsite aan het leuteren over een Franse filosoof uit de 16de eeuw? Welnu, in deel 1, hoofdstuk 50, schrijft Montaigne over … schaken! Hij doet dit in vrij negatieve zin. Hij kon toen natuurlijk niet weten dat er eeuwen later een sympatieke schaakclub zou zijn in (het toen nog niet bestaande) België met de naam Boris Spassky Schilde, waar bovendien een beruchte speler met zijn voornaam deel van uit zou maken…

Het bewuste fragment: “Waarom mag ik in mijn oordeel over Alexander de Grote niet meenemen dat hij aan tafel bralt en tegen zijn disgenoten op drinkt? Of dat hij schaak speelt? Wat voor snaar wordt in zijn geest geraakt door dit onnozele kinderachtige spel? Ik verafschuw het en mijd het, omdat het niet echt een spel is en het onze aandacht al te zeer opeist: ik zou me ervoor schamen daarmee de tijd zoek te brengen waarin ik mij ook aan serieuze dingen kan wijden. Het nam Alexander net zoveel in beslag als het organiseren van zijn roemrijke tocht naar Indië, en het houdt een ander niet minder bezig dan het ontrafelen van een passage waar het heil van heel de mensheid van afhangt. Moet je eens kijken hoezeer onze geest dat belachelijke tijdverdrijf opblaast en er zoveel belang aan hecht dat wij er helemaal gespannen van worden. Wat krijgt ieder van ons op deze wijze niet ruimschoots de gelegenheid zichzelf te leren kennen en op de juiste wijze te beoordelen. Ik kan in geen enkele situatie zo volledig naar mijzelf kijken en zien wat mij mankeert. Woede, nijd, haat, ongeduld, welke hartstocht drijft ons niet in onze mateloze eerzucht om te winnen? En dat terwijl je er beter een erezaak van zou kunnen maken te verliezen. Want het misstaat een man van eer te excelleren en meer dan middelmatig te zijn in zo iets onbenulligs. Wat ik zeg met dit voorbeeld, geldt ook voor alle andere: elke trek van de mens, elke bezigheid kenschetst en onthult hem evenzeer als een andere.”

Mijn eerste reactie was een zekere verbolgenheid omwille van het beledigen van onze geliefde bezigheid. Maar toen ik de tekst liet bezinken en er wat verder over doordacht, en het kaderde in het ganse denken van Montaigne, zag ik toch wel enkele relevante elementen.

Er zijn allicht (ook onder ons?) schakers, die heel veel tijd besteden aan het spel, terwijl ze ook met andere dingen zouden kunnen bezig zijn (bijvoorbeeld het lezen van de Essays van Montaigne…).

Ik ken inderdaad nogal wat schakers die zoveel belang hechten aan het schaken dat zij er “helemaal gespannen” van worden, en aan de manier waarop je reageert op een schaakpartij, kan je inderdaad enorm veel leren over jezelf. .. Tijdens een schaakpartij denk ik niet alleen na over de zetten die ik moet doen, maar , met het nodige relativeringsvermogen, kijk ik ook altijd naar mezelf en mijn innerlijke reacties.  Als ik aan ’t knoeien ben (wat me regelmatig gebeurt), ervaar ik soms een zekere woede en onmacht. Als ik denk te gaan winnen, en de tegenstander blijft halsstarrig nadenken, ervaar ik wel eens een gevoel van ongeduld. En als ik win, probeer ik het gevoel van triomf ook onmiddellijk los te laten, want dat is een gevoel waar ik niet van hou. Misschien word je sterker door te verliezen, en dat te aanvaarden, dan door te winnen, en je daar goed bij te voelen. Waarschijnlijk bedoelt Montaigne met dit fragment dat het beter is jezelf te observeren en daaruit te leren,  dan op te gaan in verlies of winst bij het schaken…

Montaigne is natuurlijk oneindig veel meer dan dit korte stukje over schaken, het is een uiterst boeiende figuur, die ons nog heel veel kan leren, alhoewel hij zichzelf absoluut niet op een “piedestalleke” plaatst, en de eerste is die zichzelf relativeert en in vraag stelt. Montaigne zegt regelmatig dat hij “onzinnigheden” schrijft, maar dat die zogenaamdeonzinnigheden op dat moment gewoon dat is wat hij ervaart, en dus – voor hem – “de waarheid” … Boeiend toch?

Lucas.